Leudal

Gé Reinders woont in Sint-Jacob. Dat klinkt idyllisch – en dat is het ook: ‘Een middeleeuws stukje Roermond, dat toentertijd buiten de stadsmuren lag.’ Ooit was het een door vissers en herbergiers bevolkte pleisterplaats voor bedelaars, reizigers en pelgrims op weg naar Santiago de Compostella. Toen Reinders en zijn vrouw er in 1982 neerstreken, was het stadsdeel omringd door akkers en water. De akkers zijn verdwenen, het water is gebleven: ‘Tweehonderd meter achter ons huis stroomt de Maas. Aan de voorkant kijken we uit op de Roer.’

Bijna dagelijks fietst hij drie kwartier, meestal langs het water. Altijd met zijn telefoon ‘binnen handbereik, op opnamestand’. Als hij de verharde wegen heeft verlaten, gaat hij zingen. Als alleen nog kwetterende vogels te horen zijn, de wind door de wielen ruist en zijn fietsbanden knerpen en roffelen op de ondergrond gaat hij teksten bedenken. ‘O het ritme van de pedalen rijg ik woorden aaneen.’ De cadans wisselt met het wegdek, het stijgingspercentage en de hoek waaruit de wind waait.

Glijden en glibberen

Hoe lang hij dit doet? ‘Tientallen jaren! Laatst vond ik een muziekcassette terug met opnames van mijn telefoon uit 1996, toen ik als muziekdocent werkte op een school voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen. Dertien jaar lang fietste ik elke werkdag van Roermond naar een ZMOK-school in Heythuysen en terug. De eerste jaren gewoon langs de rijksweg – het duurde even voordat ik bedacht dat ik ook dwars door het natuurgebied kon fietsen, over holle wegen en onverharde paadjes.’ Modder en regen? Ach dat valt reuze mee. ‘Er wordt beweerd dat het zoveel regent in Nederland, maar je wordt zelden door en door nat. Ik vond het heerlijk, elke ochtend weer. Op school lagen schone kleren en na drie kwartier stevig doortrappen, douchte ik in de gymzaal.’ Tijdens zo’n tocht is Blaosmuziek ontstaan, een lied over thuiskomen. In een dorpje zoals je er hier veel treft, met een kerk en twee cafeĢs aan een pleintje waar ’s zondags een fanfare speelt.